IEF 16530

Boete overtreding dienstbaarheidsverbod 'Heel Holland Bakt' van tafel

heel holland bakt AH

Rechtbank Midden-Nederland 17 januari 2017, IEF 16530; ECLI:NL:RBMNE:2017:178 (Omroep Max tegen CvdM) Mediarecht. Commissariaat voor de Media heeft Omroep Max een boete opgelegd omdat zij zich met het programma Heel Holland Bakt heeft schuldig gemaakt aan dienstbaarheidverbod (artikel 2.141, eerste lid, van de Mediawet) [IEF 15754, IEF 14834]. Omroep Max heeft het format voor het programma Heel Holland Bakt gekocht van BBCW. CvdM verwijt Omroep Max dat zij het gebruik van het woordbeeldmerk ‘Heel Holland Bakt’ ongeclausuleerd heeft overgedragen aan BBCW. BBCW heeft met Ahold een overeenkomst gesloten. Ahold exploiteert het woord-beeldmerk‘Heel Holland Bakt’. Hierdoor heeft Omroep Max, volgens CvdM het dienstbaarheidsverbod, overtreden. De rechtbank oordeelt dat het ongeclausuleerd overdragen van een woordbeeldmerk, onder omstandigheden een overtreding van het dienstbaarheidverbod kan opleveren. In deze zaak is de rechtbank echter van oordeel dat eiseres het dienstbaarheidverbod niet heeft geschonden omdat voor eiseres niet voorzienbaar was dat haar handelwijze ertoe zou (kunnen) leiden dat BBCW een overeenkomst met Ahold zou sluiten op grond waarvan Ahold meer dan normale winst of ander economisch voordeel zou kunnen behalen, of dat haar zorgplicht zover reikte als CvdM heeft gesteld. Van belang is daarbij dat er geen sprake is geweest van een directe (contractuele) relatie tussen eiseres en Ahold. Eiseres is ook op geen enkele wijze betrokken bij de overeenkomst tussen BBCW en Ahold. Er is geen sprake geweest van (een vorm van) samenwerking tussen Omroep Max en Ahold. Weliswaar is samenwerking geen vereiste voor het kunnen vaststellen van een overtreding van het dienstbaarheidverbod, maar dat betekent niet dat de omstandigheid dat géén samenwerking heeft plaatsgevonden, geen rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of in het concrete geval de publieke media-instelling zich schuldig heeft gemaakt aan verboden dienstbaarheid. De rechtbank acht voorts van belang dat Omroep Max in de uitzendingen van ‘Heel Holland Bakt’ geen aandacht heeft besteed aan de productlijn van Ahold en er daarentegen juist voor heeft zorg gedragen dat in de STER-reclameblokken voor en na de uitzending géén reclame werd gemaakt voor de producten.

Omroep Max heeft het format van ‘Heel Holland Bakt’ ook niet om niet of voor een lagere prijs verkregen. De situatie van eiseres verschilt wezenlijk van de voorbeelden die verweerder heeft aangedragen uit de rechtspraak (Bibaboerderij [ABRvShttps://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?zoeken_veld=&id=68770] en Sprookjesboom [IEF 10017]). Ook de door verweerder aangehaald correspondentie en de expertmeeting vormen geen duidelijk aanwijzing voor verweerders uitleg van het dienstbaarheidsverbod. In de jurisprudentie van de ABRvS, noch in de eerder door verweerder beoordeelde zaken of in de parlementaire geschiedenis is een duidelijke aanwijzing te vinden voor de uitleg die verweerder in de onderhavige zaak heeft gegeven aan het begrip ‘dienstbaarheid’ en/of ‘zorgplicht’. Het was daarom voor Omroep Max redelijkerwijze niet voorzienbaar dat zij met haar handelen of nalaten zich schuldig zou maken aan dienstbaarheidverbod. Het beroep is gegrond en het primaire besluit wordt herroepen, waarmee de boete van tafel is.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres het gebruik van het woordbeeldmerk ‘Heel Holland Bakt’ ongeclausuleerd heeft overgedragen aan BBCW. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit onder omstandigheden een overtreding van de hiervoor bedoelde zorgplicht en daarmee van het dienstbaarheidverbod opleveren. In deze zaak is de rechtbank echter van oordeel dat eiseres het dienstbaarheidverbod niet heeft geschonden omdat voor eiseres niet voorzienbaar was dat haar handelwijze ertoe zou (kunnen) leiden dat BBCW een overeenkomst met Ahold zou sluiten op grond waarvan Ahold een ‘Heel Holland Bakt’ productlijn zou introduceren en waarmee Ahold een meer dan normale winst of ander economisch voordeel zou kunnen behalen, of dat haar zorgplicht zover reikte als verweerder heeft gesteld.

10. Voorop moet worden gesteld dat in de onderhavige zaak sprake is van een formatlicentieovereenkomst tussen eiseres, de producent van het programma, en een commerciële wederpartij, BBCW. Daarnaast is echter sprake van een overeenkomst tussen BBCW en een derde (Ahold), waarbij eiseres niet is betrokken, op basis waarvan Ahold het woordbeeldmerk ‘Heel Holland Bakt’ heeft geëxploiteerd. Er is dus geen sprake geweest van een directe (contractuele) relatie tussen eiseres en Ahold. Eiseres is ook op geen enkele wijze betrokken bij de overeenkomst tussen BBCW en Ahold. Er is geen sprake geweest van (een vorm van) samenwerking tussen eiseres en Ahold. Weliswaar is samenwerking geen vereiste voor het kunnen vaststellen van een overtreding van het dienstbaarheidverbod, maar dat betekent niet dat de omstandigheid dat géén samenwerking heeft plaatsgevonden, geen rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of in het concrete geval de publieke media-instelling zich schuldig heeft gemaakt aan verboden dienstbaarheid. De rechtbank acht voorts van belang dat eiseres in de uitzendingen van ‘Heel Holland Bakt’ geen aandacht heeft besteed aan de productlijn van Ahold en er daarentegen juist voor heeft zorg gedragen dat in de STER-reclameblokken voor en na de uitzending géén reclame werd gemaakt voor de producten. Eiseres heeft het format van ‘Heel Holland Bakt’ ook niet om niet of voor een lagere prijs verkregen.

11. Anders dan verweerder heeft betoogd, heeft eiseres uit de in r.o. 4 genoemde expert meeting niet hoeven begrijpen dat (ook) het in de onderhavige zaak gewraakte handelen en/of nalaten in strijd zou zijn met het dienstbaarheidverbod zoals verweerder dat uitlegt. Weliswaar zijn tijdens de expert meeting de uitspraken Bibaboerderij en Sprookjesboom uitvoerig geanalyseerd en besproken, maar er bestaan wezenlijke verschillen tussen deze uitspraken en de onderhavige zaak. In de zaak Bibaboerderij achtte de ABRvS van doorslaggevend belang dat de contractuele relatie tussen de bij die zaak betrokken commerciële partijen tendeerde naar betrokkenheid van de desbetreffende publieke omroep (de TROS) omdat deze werd genoemd in de overeenkomst en in die overeenkomst een bepaling was opgenomen die de TROS vrijwaarde tegen schade. Daarbij heeft de ABRvS overwogen dat de TROS het televisieprogramma in feite om niet had verkregen. Voorts speelde een rol dat de TROS tweemaal per dag het programma ‘Bibaboerderij’ uitzond en daarmee had bijgedragen aan de bekendheid van het concept en de karakters van het programma bij het publiek. In de zaak Sprookjesboom was sprake van een contract tussen een publieke media-instelling (de TROS) en een commerciële wederpartij (de Efteling), die zowel het televisieprogramma produceerde als het merk ‘Sprookjesboom’ exploiteerde. Anders dan in deze uitspraken bestaat er dus in de onderhavige zaak geen directe (contractuele) relatie tussen eiseres en Ahold.

13. In de jurisprudentie van de ABRvS, noch in de eerder door verweerder beoordeelde zaken of in de parlementaire geschiedenis is een duidelijke aanwijzing te vinden voor de uitleg die verweerder in de onderhavige zaak heeft gegeven aan het begrip ‘dienstbaarheid’ en/of ‘zorgplicht’. Het was daarom voor eiseres redelijkerwijze niet voorzienbaar dat zij met haar handelen of nalaten zich schuldig zou maken aan verboden dienstbaarheid. Van haar kon niet worden verlangd dat zij met het oog op het dienstbaarheidverbod het woordbeeldmerk van ‘Heel Holland Bakt’ niet of slechts geclausuleerd zou hebben overgedragen aan BBCW. De omstandigheid dat later – in het addendum van 13 juli 2015 – wel nadere afspraken zijn gemaakt tussen eiseres en BBCW maakt het voorgaande niet anders. Namens eiseres is hierover ter zitting verklaard dat BBCW bereid was deze nadere afspraken te maken omdat BBCW (verdere) negatieve publiciteit rondom ‘Heel Holland Bakt’ wilde voorkomen. De rechtbank acht deze toelichting afdoende.

14. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en de rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, in die zin dat zij, doende wat verweerder had moeten doen, het bezwaar gegrond verklaart en het primaire besluit, waarbij de boete is opgelegd, herroept. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.