IEF 16584

Blijvende beschikbaarheid in digitaal archief is onvoldoende voor onrechtmatigheid

Hof Amsterdam 7 februari 2017, IEF 16584; ECLI:NL:GHAMS:2017:365 (Erdee Media tegen geïntimeerde) Mediarecht. In het Reformatorisch Dagblad (RD) is een artikel verschenen onder de titel: "Hij is zo christelijk, ik dacht, dat zit wel goed". Geïntimeerde en zijn vader hebben vanaf de jaren 90 bemiddeld bij de emigratie van Nederlandse agrariërs naar Oost-Europa, daar zijn conflicten bij ontstaan. De rechtbank [IEF 14849] heeft staking bevolen van plaatsing op digibron.nl en vindbaarheid in zoekresultaten van Google op de naam van geïntimeerde. Het hof: De publicatie van het artikel is niet onrechtmatig. De beschuldigingen zijn duidelijk toegeschreven aan derden en weerwoorden zijn daar tegenover gesteld. De blijvende beschikbaarheid in het digitaal archief is onvoldoende voor onrechtmatigheid, daarvoor zijn bijzondere omstandigheden nodig. Er is geen grond voor het toewijzen van de vordering jegens RD gericht op onvindbaar maken artikel door zoekmachines. De verwerking van persoonsgegevens, bestaande uit het zoeken van gegevens bij de naam van geïntimeerde en het weergeven van de zoekresultaten, wordt uitgevoerd door de exploitant van de zoekmachine en niet door Erdee.

 

3.6.1. Samengevat komt het voorgaande erop neer dat de in het artikel jegens [geïntimeerde] en zijn vader geuite beschuldigingen ten tijde van de publicatie daarvan in 2005 voldoende steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal, althans dat de daarbij aangedragen feitelijkheden door [geïntimeerde] niet of onvoldoende zijn bestreden. Voor zover de beschuldigingen door derden zijn geuit en niet door ander feitenmateriaal worden ondersteund, zijn deze op voldoende duidelijke wijze toegeschreven aan deze met name genoemde personen en is daar in het artikel in voldoende mate het weerwoord van [geïntimeerde] en zijn vader tegenover gesteld. Ook had Erdee voldoende belang bij publicatie van het artikel, niet alleen omdat [geïntimeerde] en zijn vader juist in de lezerskring van het RD als publieke figuren zijn aan te merken, maar ook omdat het beschikbare feitenmateriaal en de onbestreden gebleven feiten daartoe van voldoende gewicht waren. Deze feiten gaven bovendien voldoende aanleiding om daarover navraag te doen bij daarbij betrokken derden en bij [geïntimeerde] en zijn vader en hun standpunten in het artikel weer te geven. Het hof is gelet op alle hiervoor weergegeven omstandigheden van oordeel dat in dit geval het belang van Erdee bij publicatie van het artikel dient te prevaleren boven het belang van [geïntimeerde] en zijn vader om niet te worden blootgesteld aan verdachtmakingen. De publicatie van het artikel in februari 2005 is dan ook niet onrechtmatig jegens [geïntimeerde] en zijn vader geweest.

3.6.2. [geïntimeerde] heeft in zijn inleidende dagvaarding (onder 35) aangevoerd dat de blijvende aanwezigheid van het artikel op de websites van Erdee extra schade toebrengt aan de reputatie van hem en zijn vader. Hij wijst daarbij op de vindbaarheid van het artikel door middel van zoekmachines. Ook bij grief I in incidenteel appel wijst hij op de naar zijn zeggen permanente openbaarmaking via het internet. Voor zover [geïntimeerde] met deze stellingen beoogt dat deze omstandigheden dienen te worden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of publicatie van het artikel onrechtmatig is jegens hem en zijn vader, overweegt het hof dat het heden ten dage niet ongebruikelijk is dat journalistieke media de door hen gepubliceerde artikelen voor het publiek beschikbaar houden in een archief dat toegankelijk is middels door hen beheerde websites. [geïntimeerde] voert terecht aan dat dit kan leiden tot grotere en langduriger reputatieschade, mede vanwege de vindbaarheid van het artikel door zoekmachines. Dat heeft echter niet zonder meer tot gevolg dat, in een geval als het onderhavige waarbij de oorspronkelijke publicatie niet onrechtmatig is, de voortdurende toegankelijkheid van het artikel op een website alsnog onrechtmatig is. Daartoe zijn bijzondere omstandigheden nodig die [geïntimeerde] niet heeft aangevoerd. [geïntimeerde] heeft alleen gewezen op het tijdverloop en de vindbaarheid van het artikel door middel van zoekmachines. Dat is echter van onvoldoende gewicht om tot onrechtmatigheid te leiden. Ook is niet gebleken dat Erdee het artikel anders dan als onderdeel van haar digitale archief voor het publiek beschikbaar houdt.

3.7.3. Het hof overweegt dat de onderhavige vorderingen zijn gericht op het onvindbaar maken van het artikel in zoekmachines, gebruik makend van de volledige namen van [geïntimeerde] en zijn vader. De verwerking van persoonsgegevens waarop de vorderingen betrekking hebben, bestaande uit het zoeken van gegevens bij een ingetoetste naam en het weergeven van de zoekresultaten, wordt uitgevoerd door de exploitant van de zoekmachine en niet door Erdee. Dit betekent dat in verband met het gevorderde de exploitanten van de diverse zoekmachines zijn aan te merken als verantwoordelijken voor de verwerking van de persoonsgegevens en niet Erdee. De motivering van de rechtbank houdt dan ook geen stand. De Wet bescherming persoonsgegevens en daaraan ten grondslag liggende Europese richtlijn bieden geen grond voor toewijzing van de onderhavige vorderingen.